Standpunt over heffing Zvw bij uitkering stamrecht

Maandag 21 augustus 2023
De Kennisgroep premieheffing inhouding/Wtl heeft de vraag beantwoord op welke wijze de heffing van de Zorgverzekeringswet plaatsvindt bij het uitkeren van een stamrechtaanspraak als bedrag ineens.

Aanleiding

Met ingang van 1 januari 2014 is de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) afgeschaft. In artikel 39f Wet LB 1964 is overgangsrecht opgenomen voor, onder andere, de stamrechtaanspraken op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964 die op 31 december 2013 bestonden. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB 1964 bepaalt dat de waarde van een stamrechtaanspraak als een bedrag ineens mag worden uitgekeerd.

Een stamrechtaanspraak op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964  kan ook zijn opgenomen in een besloten vennootschap (hierna: BV) waarvan de directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) aandeelhouder is.

De vraag is hoe de heffing van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) dient plaats te vinden als een dergelijke DGA de stamrechtaanspraak als een bedrag ineens laat uitkeren.

Vraag

Hoe vindt de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw plaats bij een stamrechtuitkering ineens in de zin van artikel 39f Wet LB 1964?

Antwoord

De verzekeringsplichtige is de bijdrage Zvw verschuldigd over een stamrechtuitkering ineens in de zin van artikel 39f Wet LB 1964. De inhoudingsplichtige moet deze bijdrage Zvw inhouden op grond van artikel 43, tweede lid, onderdeel a, jo. artikel 49, tweede lid, Zvw.

Beschouwing

Artikel 41 Zvw geeft aan dat de inhoudingsplichtige en verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn.

Werkgeversheffing (artikel 42 Zvw)

Artikel 42 Zvw bepaalt over welk loon de inhoudingsplichtige de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd is. Dit wordt ook wel de werkgeversheffing genoemd.

In artikel 42, eerste lid, onderdeel b, Zvw staat dat de werkgeversheffing is verschuldigd over het loon uit vroegere arbeid als bedoeld in de Wet LB tot een bij ministeriële regeling aan te wijzen tijdstip, met uitzondering van bij ministeriële regeling aan te wijzen bestanddelen van het loon.

Een stamrechtuitkering op grond van artikel 39f, tweede lid, Wet LB 1964 is loon uit vroegere dienstbetrekking.

In artikel 5.1 Regeling zorgverzekering zijn de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, Zvw opgenomen. Artikel 5.1, tweede lid, onderdeel c, Regeling zorgverzekering bepaalt dat onder deze uitzonderingen ook de uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak of daarmee gelijkgesteld bedrag als bedoeld in artikel 39f Wet LB 1964 valt.

Over het bedrag ineens op grond van artikel 39f, tweede lid, Wet LB 1964 is daarom geen werkgeversheffing verschuldigd.

Bijdrage Zvw (artikel 43 Zvw)

Artikel 43 Zvw bepaalt over welk loon de verzekeringsplichtige de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd is. Dit wordt ook wel de bijdrage Zvw genoemd.

In artikel 43, eerste en tweede lid, onderdeel a, onder 1o, Zvw is opgenomen dat de bijdrage Zvw verschuldigd is over het loon overeenkomstig de Wet LB 1964 met uitzondering van het loon waarop de werkgeversheffing van artikel 42 Zvw van toepassing is.

Het bedrag ineens op grond van artikel 39f, tweede lid, Wet LB 1964 is loon waarover geen werkgeversheffing verschuldigd is. Dit betekent dat de verzekeringsplichtige op grond van artikel 43, tweede lid, onderdeel a, Zvw over het bedrag ineens de bijdrage Zvw verschuldigd is.

Artikel 49, tweede lid, Zvw bepaalt dat de bijdrage Zvw voor het bijdrage-inkomen op grond van artikel 43, tweede lid, onderdeel a, Zvw bij wijze van inhouding wordt geheven als het loon van een inhoudingsplichtige wordt genoten.

In dit geval wordt het bedrag ineens genoten van een inhoudingsplichtige, namelijk de BV van de DGA. Op het bedrag ineens moet daarom door de BV de bijdrage Zvw worden ingehouden.

De inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting geldende regels. Dat houdt in dat artikel 27d Wet LB 1964 op deze inhouding van toepassing is. De inhouding kan dan alleen plaatsvinden als er sprake is van een of meerdere loontijdvakken in het jaar van uitbetaling, zoals opgenomen in artikel 25 Wet LB 1964.

Let op

Met ingang van 1 januari 2019 is artikel 5.1, tweede lid, onderdeel c, Regeling zorgverzekering ten onrechte geschrapt. In deze bepaling werd namelijk verwezen naar artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964 dat met ingang van 1 januari 2014 is vervallen.

Het was echter niet de bedoeling dat er een wijziging zou plaatsvinden voor de verschuldigdheid van de inkomensafhankelijke bedrage over de uitkeringen en verstrekkingen op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964, zoals dit luidde op 31 december 2013.

Dit is gecorrigeerd met de Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 4 februari 2019, kenmerk 14779242-186830-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met een technische correctie met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage . Met deze regeling is artikel 5.1, tweede lid, onderdeel c, Regeling zorgverzekering met terugwerkende kracht naar 1 januari 2014 weer toegevoegd aan artikel 5.1 Regeling zorgverzekering.

De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over dergelijke uitkeringen en verstrekkingen, waarvoor sinds 1 januari 2014 fiscaal overgangsrecht is opgenomen in artikel 39f Wet LB 1964, is derhalve nog steeds verschuldigd door de verzekeringsplichtige en niet door de inhoudingsplichtige.

Bron: Belastingdienst